Op deze blog vind je naast reviews ook korte verhalen die ik in mijn vrije tijd schrijf. Alle Feedback wordt gewaardeerd.
dinsdag 18 maart 2014
Rauwkost: Een liefde om op te vreten
Kortverhaal voor gastronomieliefhebbers :)
Dit verhaal is (nog) niet geredigeerd.
Verhaal:
Ze hadden me met spoed een ticket eerste klas gegeven. Nog geen twee uur later landde ik in Manises, Valencia. Bij de uitgang stond mijn Spaanse collega me op te wachten. Señor Baez stond op zijn bordje. Ik begroette hem en hij schudde mijn hand. Alfonso Garcia was zijn naam. Hij zag er nog jong uit, eigenlijk nog te jong voor een rechercheur. Hij probeerde een baardje te laten staan, maar een vleugje wind zou de donsharen zo wegvegen. Hij vond het knap dat er al zo snel een Nederlandse rechercheur ter plekken kon zijn. Ik gaf hem aan dat het niet de eerste keer was. In de afgelopen twintig jaar heb ik meerdere zaken in Spanje gehad. Dat is het voordeel, of nadeel, van een dubbelpaspoort. Mijn eerste tien levensjaren heb ik in doorgebracht in Bilbao bij mijn vader. Na zijn overlijden ben ik naar Nederland gegaan om bij mijn moeder te gaan wonen. Tien jaar later zat ik bij de politie.
We reden met een flinke vaart over de snelweg. Wat Alfonso miste aan mannelijke uitstraling, maakte hij goed als autocoureur. Het hotel kwam in zicht. Hotel Eurostars, één van de luxste hotels in Valencia. In het dagelijks leven het walhalla voor gasten die het neusje van de zalm willen. Nu was het hele hotel afgezet met politiewagens en ambulances. Alfonso liet me weten dat het forensisch team al ter plekke was. In de lift waarschuwde Alfonso me. Volgens hem had ik een sterke maag nodig. Gelukkig heeft mijn jarenlange ervaring bij Moordzaken ervoor gezorgd dat ik tegen het meeste geweld ben opgewassen. De lift liet een verbasterende versie van “Here comes the sun” van de Beatles horen. Ik was nog steeds op mijn gemak, maar dat gevoel zou niet lang aanhouden.
We stopten op de veertiende verdieping en na een rustgevende “ping” opende de lift haar deuren. De gang was één grote chaos. Politiemensen escorteerde gasten naar de liften en verderop zag ik het politielint hangen.
‘Is dat de kamer waar het gebeurd is?’ vroeg ik kalm aan mijn Spaanse collega. Alfonso knikte zijn hoofd.
‘Si. En nogmaals wees voorbereid.’
We liepen richting kamer “1340”. Nog voordat we naar binnen gingen werd de deur geopend. Een grote man in een lange leren jas stapte naar buiten en hield een hand voor zijn mond. Hij zag er bleek uit. Hij kon net nog de emmer bereiken die in de gang stond. Met een stoffenzakdoek veegde hij zijn mond af. Terwijl hij zich omdraaide zag hij mij en Alfonso staan. De man begroete Alfonso. Alfonso stelde ons voor: ‘Dit is mijn partner Ruben Santiago.’ Hij stak zijn hand uit maar zag aan mijn gezicht dat dat wellicht niet zo een goed idee was, aangezien er nog etensresten zichtbaar waren.
‘Mijn excuses, Señor Baez. Ik heb veel gezien in mijn leven maar dit valt mij werkelijk zwaar. Ik waarschuw u, het is geen pretje daarbinnen.’ Ik geloofde hem, maar ervaring heeft me geleerd om analytische te blijven, hoe genadeloos het plaats delict ook mag zijn. Alfonso stelde zijn partner voor dat hij even een frisse neus ging halen, dan zou hij met mij naar binnen gaan. Dat vond Ruben een goed idee.
Voorzichtig opende Alfonso de deur. Het kraken ervan alarmeerde de aanwezige collega’s. Twee man van het forensisch team maakte foto’s. Bij binnenkomst kon ik het slachtoffer nog niet zien. Een kastdeur stond open, die het zicht op het bed vertroebelde. Pas nadat ik langs het obstakel was, zag ik het bloederige tafereel. Ik moet toegeven dat mijn adem stokte en mijn hart sneller ging kloppen. Het was inderdaad iets dat ik nog niet eerder had meegemaakt. Er was overal bloed. Op de muren, de gordijnen, zelf de lamp op het nachtkastje had het moeten ontgelden. Het slachtoffer was vreselijk toegetakeld. Haar complete buik was opengereten en het gezicht leek wel weggevreten.
‘Wat is hier in hemelsnaam gebeurd?’ Alfonso ging voor me staan en vertelde me de details.
‘Het slachtoffer heet Marie Ekster, drieëndertig jaar, uit Amsterdam. Haar paspoort lag netjes op het nachtkastje. Rond zes uur vanochtend kregen wij en verontrustend telefoontje van het hotel. Verscheidende gasten hadden een vreselijk geschreeuw gehoord op de veertiende verdieping. Eén van onze agenten werd gestuurd om polshoogte nemen en trof haar aan. Echter was ze niet alleen. Degene die aanwezig was tijdens deze moord was ene Henry Duval, vijfendertig jaar, uit Maastricht. Volgens de verklaring van onze agent was meneer Duval bezig met het ‘consumeren’ van mevrouw Ekster.’
Op dat moment kreeg ik ook het gevoel van misselijkheid.
‘Gaat het?’ vroeg Alfonso voorzichtig. Ik gebaarde dat alles in orde was en hij hervatte zijn verhaal.
‘En nu komt het gekke.’
‘Nu pas?’
‘Uhm, nou ja, het is al gek genoeg, maar wat nog vreemder is, is dat mevrouw Ekster en meneer Duval elkaar vijf dagen geleden hadden verloofd. Ze hadden roomservice besteld om hun verloving te vieren. We hebben de hotelmanager gesproken en hij gaf aan dat hij het vreemd vond.’
‘In welk opzicht?’
‘Hij vertelde me dat beide personen drie dagen voor de verloving, apart hadden ingecheckt. Het lijkt erop dat ze elkaar hier voor het eerst ontmoet hebben.’
Ik probeerde grip op de zaak te krijgen.
‘Dus twee wildvreemden, checken in op dezelfde dag. Drie dagen later zijn ze verloofd en vijf dagen later wordt de man op heterdaad betrapt bij iets wat lijkt op een kannibalistische uiting. Het klink allemaal zo onlogisch. Heeft deze Duval al iets losgelaten?’ Alfonso schudde zijn hoofd.
‘Helaas, hij is meteen naar het politiebureau gebracht en zwijgt als het graf. Hij blijft emotieloos voor zich uitstaren.’
‘Dat is meestal het probleem met dit soort gasten, ze denken werkelijk dat ze superieur zijn en hun acties een hoger doel hebben, maar ze zijn gewoon ziek. Ik ben bang dat je vrij weinig informatie gaat krijgen van meneer Duval. Ik zal contact opnemen met mijn collega’s in Maastricht. Aan de hand van zijn paspoort kunnen ze het adres controleren. Wellicht dat ze daar meer aanwijzingen vinden.’
Ik keek naar het lichaam van Marie en voelde mijn ogen waterig worden. ‘Laten we uitzoeken hoe deze twee elkaar ontmoet hebben.’ Ik keek naar de verlovingsring die Marie droeg. Alfonso was me al een stap voor: ‘Hier, het bonnetje van de ring lag in het nachtkastje.’
Een juwelier genaamd “Ernesto”. Het was een goed idee om daar te beginnen. Alfonso pakte een bewijszakje en gebruikte het om de ring van Marie’s hand af te schuiven.
Even later zaten we weer in de auto, richting het Centrum. Onderweg belde ik naar het Politiebureau in Maastricht. Ik legde mijn collega de situatie uit en dat ze een kijkje moesten gaan nemen bij het adres van Henry Duval.
Het was vroeg in de middag, dus we hoopten dat Ernesto nog open was. Volgens Alfonso was het nog te vroeg voor Siësta. De juwelier lag verrassend ver buiten de drukke winkelstraten. In de straat waar we moesten zijn, waren vooral veel cafés en terrasjes gevestigd. Ernesto lag op de hoek. Alfonso parkeerde de auto langs de weg.
Vanbuiten zag het winkelpand er oubollig uit. De naam Ernesto stond er, in een bruin, oud lettertype op het raam. Daaronder stond “since 1890”. We liepen naar binnen en een belletje aan de deur begon te rinkelen. De zaak zag vanbinnen er ook uit alsof er sinds 1890 niets meer veranderd was. De juwelen bevonden zich allemaal achter een glazen toonbank. Er waren geen klanten noch personeel aanwezig.
‘Hola, Clientes!’ Riep Alfonso door winkel. Na een minuut stilte begon de deur achter de toonbank te kraken. Vanuit een andere ruimte kwam een oud, fragiel mannetje. Hij hoestte zwaar en mompelde onverstaanbaar. Hij droeg een klein brilletje dat bijna van zijn neus gleed en hij keek ons met een schuin hoofd aan.
‘Buenos días, Señors,’ kwam er met moeite uit, ‘waarmee kan ik u van dienst zijn?’ Hij piepte terwijl hij sprak en het feit dat hij een pijp opstak, maakte het geheel nog erger. Alfonso liet zijn politiepenning zien.
‘Ah, Policia,’ en de man schoot in een gorgelende hoestbui. Ik keek Alfonso aan met een zuchtende blik. Om niet nog meer tijd te verdoen haalde Alfonso het bewijszakje met de ring tevoorschijn en legde deze op de toonbank: ‘Enkele dagen geleden heeft u deze ring verkocht aan een Nederlandse man en vrouw. Kunt u zich nog iets daarvan herinneren?’
De oude man beëindigde zijn hoestbui, het opgehoeste slijm slikte hij weer door. Hij nam zijn brilletje van zijn neus en keek met een dicht geknepen oog door het glas. Na een grondige inspectie, schoof hij het zakje weer terug naar Alfonso.
‘Si. Hele aardige mensen, spraken beide goed Spaans. Ze zagen er mucho verliefd uit. Eerlijk gezegd konden ze nauwelijks van elkaar afblijven. De dame wist al meteen welke ring ze wilde hebben. Hij betaalde contant en daarna verlieten ze de winkel. Is er iets ernstigs aan de hand?’ Alfonso deed het bewijszakje weer ik zijn jaszak.
‘Helaas kunnen we daarover niet in detail treden. Weet u zeker dat dat alles is, hebben ze niets anders gezegd of waar ze naar toegingen?'
De oude man fronste zijn wenkbrauwen en nam een teug van zijn pijp. Na de routineuze hoestbui, noemde hij de naam van een restaurant. Restaurant de la Luz.
‘De dame wilde graag terug naar dat restaurant, ze zei dat ze niet kon wachten.’ Ik vroeg aan Alfonso of de naam van het restaurant hem bekend voorkwam, maar schudde zijn hoofd.
We bedankten de oude man en gingen terug naar de auto.
‘Wat is het volgende plan?’ vroeg Alfonso terwijl hij weer plaats achter het stuur nam. Ik wilde graag kennis maken met Henry Duval en stelde hem voor om naar het politiebureau te gaan. Daar konden we dan ook de gegevens opzoeken van dit “ Restaurant de la Luz”. Alfonso stemde in en reed richting het bureau.
We parkeerde de auto in de ondergrondse garage en namen de trap naar de tweede verdieping. Alfonso nam me mee naar zijn kantoor. In de vluchtigheid stelde hij me voor aan enkel collega’s. Een jonge agent rende op ons af.
‘Alfonso, gelukkig dat ik je hier tref. Heb je geen mobiel bij je?’ Alfonso graaide in zijn broekzak en keek naar zijn mobieltje: ‘Mierda, ik ben hem weer eens vergeten op te laden, wat is er aan de hand?’
‘Santiago, belde een half uur geleden, ze hebben minstens nog vijf lijken gevonden in het Hotel.’
‘Wat, hoe kan dat gebeuren?’ De agent haalde zijn schouders.
‘Ik weet het niet. Ik weet alleen dat je Santiago zo snel mogelijk terug moet bellen.’
‘Dank je,’ en hij richtte zich tot mij, ‘Baez kom mee naar mijn kantoor dan zet ik de telefoon op speaker.’
Alfonso toetste het nummer van zijn partner in, die meteen oppakte.
‘Garcia, puta madre, wanneer leer je eens met een mobieltje om te gaan, pendejo!’
‘Santiago rustig aan. Baez staat naast me, wat is er aan de hand?’
Ik hoorde Santiago aan de andere kant van de lijn een diepe zucht nemen.
‘We hadden agenten op elke verdieping van het hotel navraag laten doen en bij sommige gasten was er een vaag idee dat ze een schreeuw hadden gehoord in de afgelopen dagen, maar ze hadden hier verder niet gereageerd. Wat blijkt nu, op vijf verschillende verdiepingen hebben wij kamers gevonden, met hetzelfde tafereel als bij Marie Ekster. Echter zijn deze slachtoffers nog verder toegetakeld en zo blijkt, verorberd. Dit is een heel nieuwe kant van klote kan ik je zeggen.’ Na een korte stilte vroeg Santiago of wij nog niets nieuws hadden.
We vertelde hem over Restaurant de la Luz en dat het stel Eskter en Duval volgens de juwelier erg verliefd overkwamen.
‘Hmm, ik denk dat het beste is dat jullie opsplitsen. Garcia, ga jij navraag doen bij dat restaurant. Baez, jij mag een poging doen om Henry Duval aan de praat te krijgen, wellicht opent hij zijn mond wel in zijn moedertaal. Ik ben nog wel even bezig hier bij het hotel, houd me op de hoogte.’ De verbinding werd verbroken en ik staarde Alfonso aan. Hij krabde zich achter de oren.
‘Dit is echt vreemd, maar goed we moeten verder. Hij ging achter zijn bureau zitten en zocht op zijn PC naar het adres van het restaurant.
‘Gelukkig, maar één Restaurant de la Luz gevonden. Het ziet eruit als een regulier eetcafé. Hoop dat zij me daar wat meer kunnen vertellen. Ik zal je even naar de verhoorkamer brengen.’
De verhoorkamers bevonden zich aan de andere kant van het gebouw.
‘Hij zit in kamer nummer drie. Als er wat is hoor ik het wel.’
‘Maar je telefoon…’
‘Maak je geen zorgen ik heb er nog één, hier is mijn nummer.’ Hij gaf mij zijn kaartje. Er stonden drie mobiele nummers op.
‘Je kunt me bellen op het tweede nummer, ik neem de reserve mee.’ Alfonso wenste me succes.
Bij de verhoorkamer werd ik begroet door agent Bras. Hij hield een oogje in het zeil.
‘Heeft hij al iets gezegd?’
‘Nada. Hij zit daar maar voor zich uit te staren.’
‘Vind je het goed als ik naar binnen ga?’ Agent Bras maakte een handgebaar, dat het in orde was. Ik opende de deur. Henry Duval bleef recht voor zich uit kijken. Hij had heldere blauwe ogen en kort blond haar, zijn stoppelbaard paste goed bij zijn gezicht, hij leek wel een fotomodel. Ik ging tegenover hem zitten en begroette hem: ‘Dag Henry, ik ben Rechercheur Baez. Ik heb een paar vraagjes voor je.’ Mijn Nederlandse woorden verrasten hem en hij keek me eventjes aan.
‘Dat is juist, ik ben een Nederlandse rechercheur, ze hebben alle moeite gedaan om mij hier zo snel mogelijk naar toe te halen, allemaal voor jou Henry. Wil je me alsjeblieft helpen? Want ik snap het niet helemaal. Je ontmoet hier een leuke vrouw en binnen een week zijn jullie verloofd. Dat is zo romantisch. Alleen snap ik dat gedeelte niet van dat jij opeens de “Hannibal Lecter” gaat uithangen. Kun je me dat uitleggen?’ Hij negeerde me en wendde zijn blik weer naar de hoek van de ruimte.
‘Hallo, Henry,’ en ik knipte met mijn vingers voor zijn gezicht, ‘kun je me antwoord geven?’ Er kwam geen reactie. Ik wist dat ik hiermee niet verder kwam, dus ik moest een stapje verder gaan.
‘Wat kun je me vertellen over die andere vijf slachtoffers, had het gesmaakt? Ik probeer echt grip op de zaak te krijgen, maar daar heb ik wel jou hulp bij nodig.’ Ik zag hem op zijn tanden bijten. Het was een kwestie van tijd. Ik wilde mijn verhoor voortzetten, maar ik werd onderbroken door mijn mobiel. Ik bekeek het nummer en zag dat het nummer van Nederland afkomstig was.
‘Een momentje, Henry, ik ben zo bij je terug.’ Ik stapte uit de verhoorkamer en nam de telefoon op.
‘Rechercheur Baez, hier met Frank Dumoulin, Politie Maastricht.’
‘Dag Frank, hebben jullie iets meer kunnen vinden?’
'Nou, we hebben eerlijk gezegd dingen gevonden die we niet wilden vinden. De ijskast en diepvries liggen vol met menselijk vlees en organen. Overal liggen boeken over de menselijke anatomie. Aan het keukenblok hangen allerlei recepten over hoe je bepaalde organen het beste kan bereiden. Het is een smerige boel hier. We hebben tevens de computer kunnen kraken en deze staat vol met e-mails tussen hem en andere “liefhebbers”. Ze wisselen ideeën en ervaringen uit.’
Ik kon het niet bevatten, dat dit soort waanzin in onze samenleving plaatsvond.
‘Met wie had Duval als laatste contact?’ Dumoulin gaf de opdracht aan één van zijn agenten die achter de computer zat.
‘Eén moment Baez, ik heb zo een antwoord voor je.’ Het getik van de computer was goed hoorbaar door de telefoon.
‘Oké, hier heb ik iets. Nou Baez, houd je maar vast. Het laatste contact was twee weken geleden. Met een mevrouw Ekster.’ Een koude rilling ging over mijn rug en mijn hartslag was die van een gazelle die opgejaagd werd door een jachtluipaard.
‘Het bleek dat ze plannen maakte om elkaar te ontmoeten in Valencia. In eerdere e-mails wisselen ze ervaringen uit over slachtoffers die ze gemaakt hebben. Ze hebben het zelfs over een kannibalistisch genootschap dat over de hele wereld actief is. In de laatste email van Ekster staat: “Ik kan niet wachten tot we in Valencia met onze vrienden kunnen dineren”.' Het zweet brak me aan alle kanten uit en agent Bras keek me medelevend aan.
‘Baez, ben je er nog?’
‘Ja, sorry, ik weet voldoende, bedankt voor de terugkoppeling.’ Ik verbrak de verbinding en stond te trillen op mijn benen. Bras stond op en legde zijn hand op mijn schouder.
‘Weet u zeker dat alles goed is?’
Zonder hem een antwoord te geven draaide ik me om en stormde ik de verhoorkamer naar binnen. Ik pakte Henry Duval bij de kraag en drukte hem tegen de muur.
‘Jij ziekelijk figuur!’ Schreeuwde ik uit. Hij zag de furie in mijn ogen, ik zag de schrik in de zijne. Als je wilt dat er nog iets te redden valt, dan wil ik dat nu weten. Ik weet alles van jou en Marie en jullie ziekelijke hobby. Vijf onschuldig mensen zijn dood dankzij jullie!’
Ik wilde naar hem uithalen, maar het onverwachte gebeurde, Henry Duval begon te schreeuwen.
‘Ik heb het niet gedaan!’
‘Goed dat is tenminste een start.’ Ik liet hem los en hij zakte in het hoekje in elkaar.
‘Ik heb me vergist in Marie’, snotterde hij, ‘ze was te gulzig. Ik wilde het rustig aan doen, samen op zoek gaan naar perfecte exemplaren, maar haar lust voor het vlees was te groot en ze werd roekeloos, zelfs ik heb mijn grenzen. De hele week dronk ze met jan en alleman, ze nestelde zich in hun hotelkamers, de rest is je bekend. Ik hield van haar, dat moet je begrijpen, maar ik kon niet uitstaan wat zij uiteindelijk bleek te zijn; een monster.’
‘Dat moet jij vooral zeggen.’ Hij reageerde niet op mijn cynisme en ging verder.
‘Ik had genoeg van haar dominantie en vanochtend nam ik het heft in eigen handen. Ik verraste haar in haar slaap. Eerst schreeuwde ze het uit van de pijn, maar geloof me, nadat ze merkte waar ik mee bezig was, genoot ze met volle teugen.’ Er verscheen een sinistere grijns op zijn gezicht. Ik wist voldoende. Ik gaf hem niet eens het plezier om een weerwoord te geven. Ik liet hem achter in zijn hoekje, welke straf ze hem ook zouden geven, het zou nooit voldoende zijn.
Ik bedankte agent Bras voor zijn tijd en medewerking en liep terug naar de andere kant van het gebouw.
Bij het kantoor van Alfonso Garcia stond Santiago mij op te wachten.
‘Baez, mooi verhoor, we hebben het zojuist meegekeken.’ Ik keek hem verbaasd aan.
‘Camera’s, mijn beste collega, die hebben wij in elke verhoorruimte.’ Dat verklaarde een hoop.
‘Goed werk collega.’ Ik keek bij het kantoor van Alfonso naar binnen maar zag hem niet zitten.
‘Is hij nog niet terug?’ vroeg ik aan Santiago.
‘Nee, ik heb nog niets van hem vernomen.’ Ik pakte mijn mobiel en draaide het tweede nummer op het kaartje, maar er werd niet opgepakt.
‘Niks.’
Santiago stelde voor om naar Restaurant de la Luz te rijden.
Restaurant de la Luz lag net buiten het centrum langs een groot weiland. Het zag eruit als een authentiek steakhouse. Er was nog voldoende parkeergelegenheid, de auto van Alfonso was nergens te bekennen. We gingen naar binnen. Achter de bar stond een aantrekkelijke jongedame die ons vriendelijk begroette: ‘Wat mag het zijn heren?’
‘We zijn op zoek naar onze collega, Alfonso Garcia, heeft u hem gezien?’
Jazeker, rechercheur Garcia was ongeveer anderhalf uur geleden hier. Hij vroeg naar twee Nederlandse gasten die hier hadden gegeten. Ik heb hem verteld dat ze twee keer hier gegeten hebben, daarna hebben we ze niet meer gezien. Hij bedankte me en is daarna weggereden.’
‘Zei hij niet waar hij naar toe ging?’
‘Nee sorry.’
Santiago haalde zijn schouders op.
‘Dan moet hij maar zijn mobieltjes opladen, het is altijd hetzelfde gezeur met hem. Ik weet niet hoe het met jou zit Baez, maar ik heb nog niet gegeten vandaag, wat zeg je ervan, blijven we eten?’
‘Als ik eerlijk ben is mijn eetlust een beetje vergaan.’
‘Ach, stel je niet aan, een mens moet ook eten. Tafel voor twee alsjeblieft.’ Aan de andere kant was het natuurlijk niet netjes als ik, nee, had gezegd.
De aantrekkelijke serveerster begeleide ons naar een tafeltje in de hoek van het restaurant en gaf ons de menukaart en prees de keuken: ‘Wij slachten ons eigen vlees, dus alles is vers.’
We bestelden allebei een biefstuk en hadden een heerlijk maaltijd. Tijdens het eten vertelde ik Santiago over de bevindingen van het kantoor in Maastricht en over een geheim kannibalistische genootschap. Santiago gaf aan dat zo’n genootschap grote onzin was en kauwde smakelijk verder. Het vlees smaakte lekker vertrouwd.
zaterdag 8 maart 2014
Barry’s cadeau (een kort verhaal)
Geschreven voor: Libelle Schrijfwedstrijd 2014
Eindredactie: Beppie Ottenheim
Doel: De eerste zin werd gegeven, met de opdracht om het aan te vullen tot max. 700 woorden
Het verhaal:
Het cadeau lag op tafel, zorgvuldig ingepakt met een rood lint. Barry was al zeker een half uur om de keukentafel aan het ijsberen. Hij hield zijn blik strak op het zelf ingepakte kunstwerk gericht. Zou ze het leuk gaan vinden? was de vraag die door hem heen ging. Beter nog, zou ze mij leuk gaan vinden?
Inmiddels dertig jaar en wonend bij zijn moeder, wist hij dat de klok begon te tikken. Veel van zijn vrienden en collega’s waren getrouwd en in zijn omgeving werd de ene baby na de andere geboren. Steeds ook weer dezelfde vraag: ‘Barry, wanneer ga jij eens aan de vrouw?’ Hij keek dan meestal verlegen weg en het antwoord “komt wel” volgde. Veel mensen snapten hem niet zo goed, oké, hij had wat overgewicht en kon moeilijk een gesprek beginnen met een vrouw, maar buiten dat was hij een nette man met een gezonde bos rode krullen en heldere groene ogen.
Zijn moeder stapte de keuken binnen, ze had een bezorgde blik op haar gelaat.
‘Barry’, zei ze voorzichtig, ‘als je er niet klaar voor bent, moet je het niet doen.’ Barry stopte met ijsberen en liep naar haar toe. Zonder een woord te zeggen omhelsde hij haar en brak in tranen uit. Zijn moeder pakte hem stevig vast en wreef met haar handen over zijn rug.
‘Het komt allemaal wel goed, mijn jongen.’
‘Had ik mijn snor moeten scheren, wat als ze iets tegen snorren heeft?’
‘Wees nou maar gewoon jezelf, je bent wie je bent. Minoes is ook goed op haar pootjes terecht gekomen, dan kan haar jongere broertje dat ook.’ Ze liet haar zoon los en keek diep in zijn waterige ogen. De combinatie van de groene kleur en zijn tranen lieten een woest doch sympathiek beeld zien. Hij veegde de tranen weg en lachte naar zijn moeder. Een zweem van vertrouwen verscheen op zijn gezicht.
Hij liep naar de tafel en pakte het cadeau op. Op weg naar buiten kuste hij zijn moeder gedag. In het voorbijgaan controleerde hij zijn hemd in de spiegel, met een rustgevende blik sprak hij zichzelf moed in. Vanavond is het zover.
Barry liep het Italiaanse restaurant, waar ze hadden afgesproken, naar binnen. Voorzichtig keek hij in het rond om te zien of ze er al was. Tegelijkertijd kwam een serveerster van het restaurant naar hem toe. ‘Heeft u gereserveerd?’ Barry knikte afwezig terwijl hij zijn blik over de gasten liet gaan. Opeens ging links in de hoek een hand omhoog. Een jongedame zwaaide vriendelijk naar hem. O God, ze is nog mooier dan haar profielfoto deed vermoeden. Hij bedankte de serveerster en liep naar zijn date, zijn benen trilden. Met haar lange blonde haren, bruine ogen en natuurlijke glimlach was ze het perfecte plaatje.
‘Vvvera?’ vroeg hij stotterend. Ze lachte en stond op.
‘Je hoeft niet zenuwachtig te zijn.' Ze boog voorover en gaf hem een kus op de wang. Binnen een fractie van een seconde had Barry het ritme onder controle en kuste haar terug.
‘Je snorharen kriebelen een beetje.’
‘Sorry,’ zei Barry bedeesd.
‘Nee, zo bedoelde ik het niet, hij staat je goed.’ Barry was echter nog niet helemaal gerustgesteld.
Vera ging terug op haar plek zitten en Barry nam plaats tegenover haar en schoof het cadeau naar haar toe.
‘Voor mij?’ vroeg ze verrast. ‘Dat had je niet hoeven doen.’
‘Het is een oude familietraditie; nooit met lege handen aankomen.’
Vera begon te blozen, pakte het lint vast en trok het elegant los. Het cadeaupapier viel open en er verscheen een houten sigarendoosje.
‘Oeh, vintage.’ sprak ze opwindend. Barry voelde dat zijn haren rechtop gingen staan.
Een hoge krijs galmde door het restaurant. Vera stond op, keek Barry vol afgrijzen aan en rende naar de uitgang. De serveerster kwam naar de tafel gelopen en zag het “cadeau” liggen. Een dode muis staarde haar levenloos aan. Barry klapte snel het sigarendoosje dicht en nam het mee naar buiten. Ze zullen het nooit begrijpen.
Barry’s online datingprofiel:
Man, 30 jaar
Rode krullen, heldere groene ogen
Poeslief, een echte nachtbraker
Houd van spinnen
Eindredactie: Beppie Ottenheim
Doel: De eerste zin werd gegeven, met de opdracht om het aan te vullen tot max. 700 woorden
Het verhaal:
Het cadeau lag op tafel, zorgvuldig ingepakt met een rood lint. Barry was al zeker een half uur om de keukentafel aan het ijsberen. Hij hield zijn blik strak op het zelf ingepakte kunstwerk gericht. Zou ze het leuk gaan vinden? was de vraag die door hem heen ging. Beter nog, zou ze mij leuk gaan vinden?
Inmiddels dertig jaar en wonend bij zijn moeder, wist hij dat de klok begon te tikken. Veel van zijn vrienden en collega’s waren getrouwd en in zijn omgeving werd de ene baby na de andere geboren. Steeds ook weer dezelfde vraag: ‘Barry, wanneer ga jij eens aan de vrouw?’ Hij keek dan meestal verlegen weg en het antwoord “komt wel” volgde. Veel mensen snapten hem niet zo goed, oké, hij had wat overgewicht en kon moeilijk een gesprek beginnen met een vrouw, maar buiten dat was hij een nette man met een gezonde bos rode krullen en heldere groene ogen.
Zijn moeder stapte de keuken binnen, ze had een bezorgde blik op haar gelaat.
‘Barry’, zei ze voorzichtig, ‘als je er niet klaar voor bent, moet je het niet doen.’ Barry stopte met ijsberen en liep naar haar toe. Zonder een woord te zeggen omhelsde hij haar en brak in tranen uit. Zijn moeder pakte hem stevig vast en wreef met haar handen over zijn rug.
‘Het komt allemaal wel goed, mijn jongen.’
‘Had ik mijn snor moeten scheren, wat als ze iets tegen snorren heeft?’
‘Wees nou maar gewoon jezelf, je bent wie je bent. Minoes is ook goed op haar pootjes terecht gekomen, dan kan haar jongere broertje dat ook.’ Ze liet haar zoon los en keek diep in zijn waterige ogen. De combinatie van de groene kleur en zijn tranen lieten een woest doch sympathiek beeld zien. Hij veegde de tranen weg en lachte naar zijn moeder. Een zweem van vertrouwen verscheen op zijn gezicht.
Hij liep naar de tafel en pakte het cadeau op. Op weg naar buiten kuste hij zijn moeder gedag. In het voorbijgaan controleerde hij zijn hemd in de spiegel, met een rustgevende blik sprak hij zichzelf moed in. Vanavond is het zover.
Barry liep het Italiaanse restaurant, waar ze hadden afgesproken, naar binnen. Voorzichtig keek hij in het rond om te zien of ze er al was. Tegelijkertijd kwam een serveerster van het restaurant naar hem toe. ‘Heeft u gereserveerd?’ Barry knikte afwezig terwijl hij zijn blik over de gasten liet gaan. Opeens ging links in de hoek een hand omhoog. Een jongedame zwaaide vriendelijk naar hem. O God, ze is nog mooier dan haar profielfoto deed vermoeden. Hij bedankte de serveerster en liep naar zijn date, zijn benen trilden. Met haar lange blonde haren, bruine ogen en natuurlijke glimlach was ze het perfecte plaatje.
‘Vvvera?’ vroeg hij stotterend. Ze lachte en stond op.
‘Je hoeft niet zenuwachtig te zijn.' Ze boog voorover en gaf hem een kus op de wang. Binnen een fractie van een seconde had Barry het ritme onder controle en kuste haar terug.
‘Je snorharen kriebelen een beetje.’
‘Sorry,’ zei Barry bedeesd.
‘Nee, zo bedoelde ik het niet, hij staat je goed.’ Barry was echter nog niet helemaal gerustgesteld.
Vera ging terug op haar plek zitten en Barry nam plaats tegenover haar en schoof het cadeau naar haar toe.
‘Voor mij?’ vroeg ze verrast. ‘Dat had je niet hoeven doen.’
‘Het is een oude familietraditie; nooit met lege handen aankomen.’
Vera begon te blozen, pakte het lint vast en trok het elegant los. Het cadeaupapier viel open en er verscheen een houten sigarendoosje.
‘Oeh, vintage.’ sprak ze opwindend. Barry voelde dat zijn haren rechtop gingen staan.
Een hoge krijs galmde door het restaurant. Vera stond op, keek Barry vol afgrijzen aan en rende naar de uitgang. De serveerster kwam naar de tafel gelopen en zag het “cadeau” liggen. Een dode muis staarde haar levenloos aan. Barry klapte snel het sigarendoosje dicht en nam het mee naar buiten. Ze zullen het nooit begrijpen.
Barry’s online datingprofiel:
Man, 30 jaar
Rode krullen, heldere groene ogen
Poeslief, een echte nachtbraker
Houd van spinnen
dinsdag 21 januari 2014
Caroline's dagboek Nu te Koop!
Met veel enthousiasme en trots presenteer ik mijn debuutroman!
Ik ben uitermate tevreden over het resultaat en ik hoop dat veel mensen dit boek gaan ontdekken. Ik zou het te gek vinden als ik een publiek vind voor mijn boek. Thrillerliefhebbers die houden van een goede dosering spanning, (zwarte) humor en onverwachte plot twisten, zijn hier aan het goede adres.
Nu zult u wel denken: “Alweer zo’n schrijver die zijn eigen werk uitgeeft.”
Klopt, zolang er nog geen uitgever is gevonden, wil ik iedereen toch de kans geven om van mijn boek te kunnen genieten.
Wellicht nog een andere vraag: “Kun je me kwaliteit bieden?”
Ja. Het komt een beetje je arrogant over, maar ik ben ervan overtuigd dat ik een goed verhaal heb geschreven. Kijk eens rond op mijn blog, u zult zien dat ik een kritisch persoon ben en zo is dat ook met mijn eigen werk. Als ik niet het volste vertrouwen had in mijn werk, dan zou ik het niet uitgeven. Het verhaal was december 2012 af. In het eerste half jaar van 2013 heb ik ongeveer 50 proefexemplaren verdeeld onder familie, vrienden en voor mij onbekende mensen (letterlijk, mijn boek meegegeven aan voorbijgangers), met de vraag om hun mening te geven over mijn werk. De feedback was fantastisch, het verhaal werd door allen ervaren als spannend, origineel, af en toe vulgair en men vond dat het een goede spanningsboog had. De kritiek die ik kreeg ging vooral over één onderdeel, taalfoutjes. Omdat ik de enige was geweest die het geheel had doorgenomen, zijn mij uiteraard een aantal stijlfouten en taalfouten niet opgevallen, wat ik ook logisch vind. Na deze feedback heb ik de handen ineengeslagen met Beppie Ottenheim, een taalpurist in hart en nieren. Ik heb haar ontmoet via het uitgeversplatform van het Limburgs Dagblad. Al gauw werd me duidelijk dat ik met de perfecte persoon aan het werk was gegaan. In de tweede helft jaar van 2013 hebben we het hele boek gecorrigeerd, geredigeerd en aangepast, zodat de eerder genoemde taalfouten en stijlfouten tot een minimum zijn gereduceerd. Mogelijk dat u nog een foutje kunt ontdekken, maar dat zal beperkt zijn.
De prachtige cover is ontworpen door fotografe, Edith Wawrowska. Meer van haar werk vindt u terug via onderstaande link:
https://www.facebook.com/pages/Edith-Wawrowska-Photography/124250121037851
Nu is het begin 2014 en ik stel Caroline’s dagboek voor aan het grote publiek. Mocht u ervoor kiezen om mijn boek te kopen dan vind ik dat al helemaal geweldig en alvast dank daarvoor. Graag hoor ik wat u er van vindt. Via deze blog kunt u mij berichten sturen en ik waardeer elke feedback. Daarnaast kunt op deze blog kortere verhalen terugvinden die ik heb geschreven, om u een idee van mijn schrijfstijl te geven.
Tot slot wil ik u een voorproefje van Caroline’s dagboek geven, ik hoop dat het u gaat aanspreken.
Richard
Paperback: http://www.mijnbestseller.nl/shop/index.php/caroline-s-dagboek-36261-www-meinbestseller-de-3.html
Of check mijn gratis E-book versie:
http://www.smashwords.com/books/view/409523
Passage uit Caroline’s dagboek:
Ergens in de kelder van een vrijstaand huis, aan de rand van Steengroeve.
Het licht scheen minimaal, het liet een groene waas achter, dat kwam waarschijnlijk door de vochtigheid en het mos dat uit de scheuren van de muren groeide. Chris maakte met tegenzin het cellofaan van een chocoladereep open. Hij liep voorzichtig naar de jongen toe. Aan de linkervoet van de jongen zat een stalen ketting waarvan het uiteinde in de muur gemetseld zat. De ketting was net lang genoeg voor de jongen om de kale matras en de emmer te bereiken. Door het slechte licht zag de jongen alleen maar een bewegende schim, maar hij wist dat het Chris was. Chris zorgde al een maand voor hem. Voorzichtig hield Chris de chocolade reep naar voren, maar de jongen negeerde elk gebaar.
‘Het is alles wat ik nog heb. Morgen komt de grote baas met nieuw brood en die zoete drank die je zo lekker vindt. De jongen herhaalde steeds dezelfde woorden: ‘Ik wil mijn mama.’
‘Binnenkort. Tot die tijd moet je het met mij doen en ik wil de grote baas graag vertellen dat jij je als een grote kerel hebt gedragen. Want je weet wat er gebeurt als je dat niet doet.’
De directheid in de stem van Chris deed de jongen realiseren dat het beter was om de reep aan te nemen.
‘Goedzo, Mickey, ik zal hem zeggen dat ik zeer tevreden over je ben.’
§
De zondagochtend begon zoals de meeste ochtenden, beroerd, met een extreme drang naar koffie. Mijn pakje Gauloises bevatte nog vijf sigaretten, het kon er mee door. Vaag kon ik me nog de voorgaande avond voor de geest halen. Ik trok mijn ochtendjas - die ik van Suzanne had gekregen - aan en liep met bonkende hoofdpijn de trap af naar beneden. Gezien het vroege uur - het was net acht uur geweest - dacht ik dat Mark nog wel knock out zou liggen. Terwijl ik naar beneden liep, hoorde ik gepraat in de huiskamer. Ik opende de deur van de gang en was verrast om Mark klaarwakker op de bank te zien zitten. Tevens zag ik dat hij door mijn dvd-collectie was gegaan en The Ciderhouse Rules had opgezet. Met tranen in zijn ogen sprak hij de dialoog van Michael Caine’s karakter mee: ‘Goodnight, you princes of Maine, you kings of New England.’
Ik gaf hem een klein knikje, zonder iets te zeggen. Jankend keek hij me aan: ‘Prachtige film, ik heb hem al jaren niet meer gezien.’ Het is bizar. Een dag eerder had ik nog het beeld van een eigenzinnige eikel, nu ik hem zo zag zitten, begon ik een sympathisch gevoel te ontwikkelen voor Mark Leban. Ik had er niet echt bij stil gestaan dat hij een totaal emotioneel wrak zou zijn. Hij was wel de laatste van wie ik dat zou verwachten. De zakenman, de rechttoe rechtaan bullebak, de huilebalk op mijn bank.
‘Ik ga koffie zetten. Wil je ook een croissant?’ Mark knikte alleen maar.
Ik bekeek de verpakking van de croissants, uiterste houdbaarheidsdatum 14 september 2011. Ze waren aan de onderkant al een beetje het schimmelen. Met een steakmes schraapte ik de schimmel weg en legde de croissants in de oven. Suzanne deed alle boodschappen, ik deed alleen maar eten en drinken wat we in huis hadden. Het is best een trieste eigenschap van mezelf. Er bestond een waan bij me dat vrouwen alles voor me deden omdat ik een acteur ben. Iemand met een artistiek bestaan. In veel documentaires over kunstenaars zag je immers dat ze altijd een hoop vrouwen om zich heen hadden. Ik stond er niet bij stil of ik een goede of een slechte artiest was, ik had in ieder geval het ego ervoor. Door dat ego ga je jezelf op een voetstuk zetten, je maakt jezelf groter dan je daadwerkelijk bent. Me beter voordoen dan ik daadwerkelijk was. Het idee hebben dat alles om jou draait. Ik voelde me Jupiter en ik moest de meeste manen in mijn baan hebben. Nu denk ik daar anders over, maar op dat punt in mijn leven was ik een God, in mijn eigen belevingswereld tenminste.
De broodjes bakten, de koffie pruttelde, de felle ochtend zon scheen naar binnen en ik bekeek mijn weerspiegeling in het steakmes. Tenminste, ik zag mijn ogen. Mijn diepe bruine ogen. Het oogwit was rooddoorlopen en de harde sperma van Klaas Vaak zat nog vastgeplakt aan de rand van mijn ogen. Mocht ik de rest van mijn lichaam met potlood bijtekenen dan kwam ik uit op een sketch van Wile E. Coyote die klaar stond voor een afgrond, met een bord in zijn handen waar simpelweg “loser” op zou staan. Mark kwam de keuken binnenlopen. Mijn gedachteballon ging in rook op en ik lachte doelloos naar hem. Geeuwend sprak hij tot me: ‘Mag ik gebruik maken van je douche en wat ondergoed lenen?’ Ik keek naar de timer van de oven die nog twee minuten aangaf.
‘De croissants zijn bijna klaar.’
‘Ik eet ze wel na het douchen.’
‘Maar dan zijn ze koud.’
‘Dat maakt me niet zoveel uit.’
‘De koffie is ook zo klaar.’
‘Om twaalf uur is de herdenkingsmis voor Caroline.’
‘Dat zijn nog drie uur.’
‘Ik wil graag op tijd klaar zijn.’
‘Echt geen croissants? Warm zijn ze het lekkerst.’
‘Nee.’ Hij draaide zich om en liep naar de trap.
Volgens mij was dat de meest homo-erotische discussie die ik ooit heb gevoerd. Nooit eerder was ik zo vastbesloten om iemand zo ver te krijgen gezellig met me te ontbijten. Samen aan de keukentafel, praten over vroeger, leuke tijden. Het maakte me bang dat ik de drang kreeg iets te doen voor een ander. Iets in mijn leven zorgde voor een omwenteling. Al kon ik niet bepalen wat het was, de terugkeer van een oude vriend of het ontmoeten van Elize.
Licht beledigd zette ik mijn drama-queen gezicht op en ging zielsalleen aan tafel zitten. Ik schonk een grote mok koffie in. Drie klontjes suiker, geen melk. Na het smeren van mijn croissant nam ik een flinke hap, die ik na twee seconden kauwen weer uitspuugde. Het afschrapen van de schimmel had niet geholpen, wat smaakte dat goor. Ik ging alle kasten in de keuken na, maar helaas, geen enkel voedselproduct meer te bespeuren. Geïrriteerd dronk ik dan alleen maar de koffie op.
Ook ik ging naar boven om me klaar te maken voor de herdenking.
Mark was inmiddels klaar met douchen en ik informeerde hem over de staat van het ontbijt. Hij vond het niet erg om alleen koffie te drinken. Hij had zijn eigen kleren weer aangetrokken.
‘Mark, met alle respect, je kunt niet in die kleren naar een herdenkingsmis gaan. We zijn ongeveer dezelfde lengte en breedte, laat me je een pak van mij lenen.’ Mark keek me aan met een blik waarmee hij wilde zeggen: “Wat is er mis met mijn kleren?” Ik gaf hem niet het beste pak, maar het pak dat ik had uitgekozen was goed genoeg voor hem. Hij ging zich omkleden, zodat ik ook een lekkere warme douche kon nemen.
Op de badkamer werd ik er weer aan herinnerd hoe harig Mark was. De putjes in de wasbak én de douche zaten vol met zijn haren. Met een oud scheermesje begon ik de lokken eruit te halen, hierna spoelde ik met een liter zeep de hele douche uit. Zelfs daarna had ik nog kriebels tijdens het douchen. Ik had nooit gedacht dat een man in huis voor zoveel irritatie kon zorgen. In mijn gedachten leek het altijd fijner dan het samenwonen met een vrouw. Na één dag met een man in huis, nam ik die gedachte terug.
§
Een half uur later zaten we in mijn auto. Een Volkswagen Polo uit ‘96 die aan vervanging toe was. De koppeling werkte stroef en ik had er nog wel een nieuwe versnellingsbak in laten plaatsen. Als ik er zo aan terugdenk, heb ik in vier jaar tijd zes keer de versnellingsbak verwisseld. Voor de rest heeft de auto me grotendeels niet in de steek gelaten. Onder het rijden, hoorde ik de maag van Mark knorren en ik had zelf ook honger. Tegelijkertijd draaide het nummer “Hunger Strike” van de band “Temple of the Dog” op de radio, het viel allemaal samen. Ik rookte een sigaret, maar die smaakte niet, ik kreeg er een licht gevoel van in mijn hoofd. Aangezien we erg vroeg waren vertrokken, besloten we om bij de plaatselijke fastfoodketen iets te eten. Het bleek hetzelfde restaurant te zijn waar ik begin van die week ook had gegeten.
Het magere meisje dat mij die bewuste maandag had bediend, stond wederom achter de kassa. Deze keer zag ze er nog belabberder uit. Ze zag er bleek uit en wallen waren zichtbaar onder haar ogen. Er waren geen fysieke tekenen van geweld, voor zover ik kon zien tenminste. Ik wilde haar vragen of er iets aan de hand was, maar ik hield me in. Het was niet aan mij om me om dit meisje te bekommeren. Ze vroeg ons wat we wilden eten. Ik wachtte op Mark om een bestelling te doen, maar hij stond met een verstijfde blik naar het meisje te kijken. Ik legde mijn hand op zijn schouder en zei voorzichtig zijn naam. ‘Mark, deze jongedame vraagt wat je wilt eten.’ Duidelijk aangeslagen keek hij me aan.
‘Sorry, Ben, ik heb geen honger meer. Kunnen we alsjeblieft gaan?’
‘Eigenlijk wil ik zelf nog iets te eten pakken.’
‘Wat jij wilt, ik wacht wel in de auto.’ Geschokt van zijn reactie richtte ik me weer tot het meisje, Juliet, zag ik op haar naamplaatje staan.
‘Sorry, ehm, Juliet. Mijn vriend heeft vandaag een zware dag.’ Juliet ging bedeesd met haar hand door haar paardenstaart, keek naar beneden en sprak zacht: ‘We hebben allemaal wel eens zware dagen, meneer, mag ik uw bestelling opnemen?’
‘Ja, doe mij maar een hamburgermenu met als drankje een cola graag. Gaat alles wel goed met je? Je ziet zo bleek.’
‘Wilt u daar een brownie bij voor maar vijftig cent?’
‘Nee, dank je. Je kunt het gerust tegen mij zeggen als er iets aan de hand is.’
‘Alles is prima, meneer. Dat is dan € 5,95.’ Ik rekende het bedrag af en nam mijn maaltijd aan. Juliet bedankte me voor mijn aankoop en wenste me nog een fijne dag toe. Ik wilde eigenlijk nog een keer proberen of ik iets los kreeg, maar ze negeerde me en begon de volgende klant te helpen. Dan niet, dacht ik bij mezelf. Ik vond dat ik behulpzaam genoeg was geweest. Ik nam het menu mee naar de auto, ik wilde Mark niet te lang alleen laten.
‘Dan hadden we beter door de drive-in kunnen rijden, als je toch in de auto wilde blijven.’ Hij reageerde niet op mijn klaagzang. Aan zijn gezicht zag ik dat iets hem vreselijk had geraakt. ‘Wat was dat daarbinnen? Je joeg dat arme meisje de stuipen op het lijf.’
‘Het was een paniekaanval, vat het maar niet te zwaar op.’
‘Paniekaanval… maak dat de kat wijs, je keek alsof je een geest had gezien.’ Mark bleef stil en na een aantal adempauzes zei hij wederom dat het niets was. ‘Eet je hamburger nu maar op, dan kunnen we tenminste naar de herdenking gaan.’
§
Een kwartier voordat de mis begon, kwamen we bij de kerk aan. Mark - hij had het rijden van mij overgenomen zodat ik onderweg rustig mijn hamburger kon eten - parkeerde de auto langs de weg. Een logische vraag die volgde was “Is dit wel de goede kerk?” want er waren bijna geen auto’s noch mensen te bekennen. Mark nam een krantenbericht uit zijn broekzak.
‘St. Sebastianus kerk, Schoolstraat, 9 oktober om 12.00 uur. Ja, ik ga ervan uit dat we hier moeten zijn.’ We stapten uit, aan mijn kant vielen bij het openen van de deur de lege cola beker en wat servetjes op de grond. Een bejaard stel dat toevallig langsliep, schudde gelijktijdig hun hoofd. Om ze nog meer te irriteren liet ik een flinke boer. Ze mompelden tegen elkaar en liepen snel door. Heerlijk, mensen die constant een mening hebben. Nadat het stel niet meer omkeek, pakte ik de rotzooi op en deed het netjes in de vuilnisbak. Hierna liepen we de trappen van de kerk omhoog en opende ik de zware, houten kerkdeur.
Bij het geluid van de openende deur keken in totaal zeven mensen achterom, dit waren tevens ook het aantal aanwezigen. Voorin zaten de ouders met daarnaast Skeletor, hoogstwaarschijnlijk de oma van Caroline. Aan de andere kant zat het schoolhoofd, meneer Tholen en zijn vrouw. De andere drie personen zaten verspreid op de overgebleven bankjes. We knikten beleefd. Daarna draaide iedereen zich weer om. We namen plaats in de achterste rij, we wilden niet nog meer aandacht opeisen.
Vijf minuten later sloeg de kerkklok twaalf uur en de pastoor liep onder begeleiding van twee misdienaars richting het altaar. Wat volgde was een preek van een half uur. Het enige wat met Caroline te maken had, was dat haar naam werd genoemd. Voor de verdere details van een standaard mis raad ik u aan om op zondag eens een kijkje te nemen in een kerk bij u in de buurt. Na afloop van de mis bleven we nog even zitten, hopend dat we de ouders van Caroline konden aanspreken. De drie onbekende toeschouwers passeerden ons. Dit waren geen familieleden van Caroline. Het waren depressieve karikaturen die blijkbaar graag het leed van anderen opsnoven. Een jonge man die er uitzag als een punkrocker; grote zwarte oorbellen, keek met een emotieloze blik voor zich uit. Terwijl hij naar buiten liep, deed hij de zwarte capuchon van zijn trui over zijn hoofd. Een vrouwtje van rond de vijftig, ik herkende haar gezicht, ze heeft een paranormale winkel in het centrum van de stad. Tot slot een lange, tengere man. Hij was al op leeftijd en kalend met witte plukjes haar aan de zijkanten van zijn hoofd. Met een ijzige blik keek hij ons aan, een blik die zei: “Ik ga jullie opvreten.” Angstig keken we allebei naar beneden, de man liep ons langzaam voorbij en ging naar buiten.
‘Was dat wie ik denk dat het was?’ fluisterde Mark.
‘Ja, Luther Kohl, hij leeft nog steeds.’
‘Ik vond hem vroeger al eng toen hij schilder was bij Janssen & Zn. Wat doet hij tegenwoordig?’
‘Hij doet nog steeds schilderwerk, het is een taaie. Volgens mij heeft Luther Kohl 95% van alle huizen in Steengroeve van binnen en buiten geschilderd.’
Mark slikte angstig. Vroeger durfde hij nooit een straat in te gaan als hij het busje van Janssen & Zn. zag staan. Die man had gewoon iets onheilspellends.
‘Eigenlijk moeten we ons schamen. We vertellen verhalen over hem, maar we hebben nog nooit met hem gesproken. Wellicht is hij gewoon een oude, zielige man die banger voor ons is dan wij voor hem.’
Markt knikte en kon zich wel vinden in mijn geruststelling.
‘Zo, meneer Croque én meneer Leban weer samen op pad, zie ik.’ Tholen herkende ons meteen. ‘Jullie zijn geen steek veranderd. Kijk, Annette, dit zijn twee jongens die meer mijn kantoor hebben gezien dan de rest van de school.’ We voelden ons een beetje in de zeik gezet door deze oude knar. Annette begon te lachen: ‘Trek het jullie niet aan jongens, dat zegt hij tegen alle oud-studenten die hij tegenkomt, het is leuk jullie te ontmoeten.’
‘Insgelijks’, kwam er in koor uit.
‘Mochten jullie eens tijd hebben,’ ging Tholen verder, ‘dan zijn jullie van harte welkom, St. Helena’s is een stuk moderner geworden.’
‘Zullen we zeker doen.’ Het was moeilijk om dat te zeggen zonder leugenachtig over te komen. Tholen en Annette knikten vriendelijk en wensten ons nog een prettige dag.
De ouders van Caroline kwamen eindelijk naar de uitgang van de kerk gelopen. Uit respect stonden we op en begroetten meneer en mevrouw Versteegh. Skeletor verscheen achter hun, ook haar begroetten we. Vader Versteegh liep naar ons toe en schudde ons beide de hand. Het was een slappe handdruk. De man was zoals Mark hem twaalf jaar geleden had omschreven, tenger, iel, breekbaar, brilletje, belastingadviseur.
‘Bedankt voor het komen, jongens. Het betekent veel voor ons. Zijn jullie kennissen van Caroline?’
Mark sprong er meteen op in.
‘We gingen naar dezelfde school.’
‘Dat is goed om te horen, nogmaals bedankt voor het komen.’ Ze wilden verder lopen, ik keek Mark met een blik aan om actie te ondernemen, anders waren we nog voor niets gekomen. Met lood in zijn schoenen benaderde Mark hem opnieuw.
‘Meneer Versteegh?’ Hij draaide zich om.
‘Alsjeblieft, noem me Albert.’
‘Albert. De dood van uw dochter heeft me persoonlijk heel erg aangegrepen. Ik ben een jaar jonger dan Caroline, maar ik heb haar altijd bewonderd. Ik durf zelfs te zeggen dat ik verliefd op haar was, maar ze zag me nooit staan.’ Ik zag aan het gezicht van Albert dat hij Marks’ pijn kon voelen. De moeder en Skeletor stonden achter hem en luisterden mee. ‘Ik wil geen oude wonden openmaken, al lijkt me dit een wond die nooit zal helen. Graag zou ik meer inzicht krijgen in hoe Caroline tot haar tragische einde is gekomen. Het is iets wat me al twaalf jaar achtervolgt.’ Alberts gezicht veranderde van treurig naar ernstig.
‘Jongeman, mijn dochter heeft veel aanbidders gehad en we hebben een turbulente tijd meegemaakt. Waarom zou je dit nu weer allemaal naar boven willen halen?’
‘Ik weet dat het lijkt alsof dit uit het niets komt, maar de afgelopen jaren heb ik bijna dagelijks nachtmerries over uw dochter, er zijn zaken die u niet weet.’ Mark kon zijn tranen niet in bedwang houden. ‘Jarenlang intensieve therapieën van Europa’s beste psychiaters en nog steeds lijd ik onder die angst, alstublieft, ik smeek u, sta mij te woord.’ Albert Versteegh zweeg en keek naar zijn vrouw, deze knikte voorzichtig met haar hoofd. Albert wendde zich weer tot ons: ‘Zijn jullie met de auto?’
‘Ja, die staat hier langs de weg geparkeerd.’
‘Volg ons naar huis, dan praten we verder.’
We deden wat hij ons vroeg. Deze keer nam ik weer plaats achter het stuur.
‘Wil je dit nog steeds?’ vroeg ik aan Mark terwijl hij de gordel omdeed. Hij hield zijn handen omhoog en liet mij tien vingers zien en daarna nog eens twee.
‘Twaalf lange jaren…’ Ik wist voldoende en reed achter de Mercedes van familie Versteegh aan.
§
Eerder die ochtend. Chris zat in de keuken sigaretten te roken. Er lagen zes uitgedoofde peuken in de asbak. De zevende had hij in zijn mond. Hij keek geïrriteerd naar de witte wandklok die de kale muur sierde.
‘Het is verdomme al acht uur, waar blijft hij?’ mompelde hij in zichzelf. Vanuit de keuken kon je naar de gang, daar bevond zich de deur naar de kelder. Hij hoorde Mickey schreeuwen, de jongen had honger, Chris zelf ook. Het enige waar genoeg van aanwezig was, waren chocoladerepen, maar die kon Chris niet meer zien noch eten. De laatste twee dagen teerde hij en de jongen op chocoladerepen en Earl Grey thee, dat kon niet gezond zijn. Ze hadden fruit en brood nodig, vitamines. Net voordat hij zijn sigaret wilde aansteken, hoorde hij geratel. Het was de voordeur. Eindelijk.
De grote baas liep de keuken binnen en keek naar de volle asbak. Hierna keek hij met een afkeurende blik naar Chris. Chris had zijn achtste sigaret terug in het pakje gedaan.
‘Heb je de boodschappen meegenomen, Luther?’
Luther gebaarde naar de gang. Chris liep naar de gang en zag een volle tas staan. Hij hief de tas op en nam deze mee naar de keuken.
‘Zorg dat de jongen goed te eten krijgt. Er is voldoende voor een week.’
‘Dat zei je de vorige keer ook, de afgelopen twee dagen heb ik me moeten voeden met chocoladerepen.’ Luther werd furieus, pakte Chris bij de kraag en duwde hem tegen de muur.
‘Luister, zwakzinnig schepsel, die jongen is belangrijk voor mij, voor ons allen. Jij bent niets vergeleken met de kracht die in hem schuilt. Dus als je merkt dat je te weinig over hebt aan het einde van de week, dan zorg je dat de jongen als eerste zijn voeding binnen krijgt. Jij zult dan maar moeten vasten totdat ik terugkom met een nieuwe voorraad, begrepen?’ Chris, die rood aanliep, knikte angstig. ‘Goede jongen.’ Luther liet hem weer los. Chris had hem zwakker geschat, maar voor zijn leeftijd had Luther de kracht van een twintiger. ‘Er is pindakaas en dat zoete spul dat hij zo lekker vind. Mijn suggestie is dat je begint met het smeren van boterhammen en dat je je tegenspraak de volgende keer weglaat.’ Chris zweeg en begon aan zijn taak. Luther keek naar de wandklok, deze gaf half tien aan. ‘Kun je het verder alleen af?’ Chris knikte. ‘Kenny en Martha wachten op me bij de St. Sebastianus kerk, vandaag is de herdenking van Caroline Versteegh.’
Chris’ ogen werden groter.
‘Is dat vandaag? Het is nog altijd een raadsel waar het bij haar mis is gegaan.’ Luther hield zijn hoofd omlaag en sprak zachtjes: ‘Ze was helaas niet sterk genoeg.’
maandag 13 januari 2014
Recensie Philomena (2013)
Met: Judi Dench, Steve Coogan, Michelle Fairley, Anna Maxwell Martin
Regie: Stephen Frears
Stephen Frears is geen onbekende als het gaat om waargebeurde verhalen. Zo maakte hij in 2007 al het mooie The Queen, met “Dame” Helen Mirren. Nu is het de beurt aan die andere Dame, Judi Dench, om zijn nieuwste film kleur te geven.
De film vertelt over Philomena Lee (Dench), een dame van Ierse komaf, die tijdens haar tienerjaren aan het begin van de jaren 50 opgroeit in een klooster. Als ze op jonge leeftijd zwanger wordt, zien de nonnen dit als een zonde. Philomena bevalt in het klooster van haar zoon Anthony. Twee jaar later wordt Anthony geadopteerd en verliest Philomena hem uit het oog.
Inmiddels vijftig jaar later, denkt Philomena nog steeds aan haar zoon en hoopt hem ooit nog eens terug te zien. Haar dochter Jane, die ze heeft gekregen jaren nadat ze uit het klooster is vertrokken, bied haar hulp aan.

Op een feestje waar Jane de catering doet benadert ze journalist Marin Sixsmith (Coogan). Sixsmith is onlangs ontslagen door zijn werkgever, de BBC, en Jane vertelt hem het verhaal van haar moeder. Eerst ziet hij er geen brood in, maar na een gesprek met zijn vaste editor, stemt hij erop in om Philomena te ontmoeten. Het klooster bied weinig hulp in de zoektocht, maar al gauw blijkt dat Anthony door een Amerikaans gezin is geadopteerd en ze zetten daar hun zoektocht voort.
Philomena blijkt een hartverwarmende film te zijn, ondanks hoe het eraan toe ging in de kloosters. De Chemie tussen Steve Coogan en Judi Dench is fantastisch en zetten allebei één van hun beste rollen neer. Coogan, die vooral bekend is voor zijn komische rollen, laat hier zien goed overweg te kunnen met een dramatische rol, die nog steeds genoeg sarcastische humor bied. Naast het script produceerde Coogan ook de film, wat aangeeft hoe graag hij dit verhaal naar het grote scherm wilde brengen. “Dame” Judi Dench zet een Oscarwaardige rol neer als Philomena en weet goed de balans te vinden tussen fijne humor en drama. Aan de regie van Stephen Frears is niets op aan te merken en levert met dit waargebeurd drama één van zijn beste producten af.
Philomena is een aanrader voor liefhebbers van films met een lach en een traan. Een prachtige film die het vooral bij het wat oudere publiek goed zal doen en een gezellig uitje is voor de zondagmiddag.
4 uit 5
maandag 6 januari 2014
Review: Inside Llewyn Davis
Met: Oscar Isaac, Carey Mulligan, Justin Timberlake, John Goodman, Garrett Hedlund en F. Murray Abraham
Regie: Joel en Ethan Coen
Van de Coen broeders kan je eigenlijk bijna nooit een slechte film verwachten. De enige echte misstap in mijn ogen was het onnodig remaken van The Lady Killers, want niemand overtreft Alec Guiness en Peter Sellers, ook al is je naam Tom Hanks. Maar dat is ze vergeven. Ze zijn verantwoordelijk voor enkele tijdloze klassiekers zoals Fargo, The Big Lebowski en No Country for old men. De vraag is, kan Inside Llewyn Davis zich aan die klassiekers toevoegen?
Het antwoord is lastig, want hoeveel kan een kijker accepteren? Het is een gortdroge film die de humor haalt uit het leed van zijn hoofdpersoon, Llewyn Davis, voortreffelijk neergezet door Oscar Isaac (Drive). Hij is een folkzanger in het begin van de jaren zestig, die in feite elke avond in dezelfde kroeg speelt. Hij komt depressief over, heeft geen eigen appartement en gebruikt zijn vrienden en kennissen als plaatsen om te overnachten. Zelf weet hij dat de muziek die hij speelt prachtig is, maar de mensen om hem heen blijken dit niet te beseffen, vooral omdat Llewyn geen makkelijk persoon is. Hij is lastig, humeurig en niet snel tevreden.
(Llewyn met zijn reiskompaan)
In de film volgen we hem in een week van zijn leven en worden we meegenomen op een verrassende tocht die ons naar vreemde plekken brengt en kennis laat maken met een aantal aparte figuren. Zo wordt hij al vroeg in de film opgescheept met een rode kater, die hij had buitengesloten bij zijn eerste slaapplek. Dan is er het stel Carey Mulligan en Justin Timberlake die hem onderdak geven en lift hij mee met de stille Garrett Hedlund en zijn heroïneverslaafde passagier, de altijd geweldige John Goodman. Het laat een typisch canvas zien zoals alleen de Coens dat kunnen schilderen.
De muziek past perfect bij het tijdsbeeld. Ook als je geen liefhebber bent van Folkmuziek moet je toegeven dat deze muzikaal en tekstueel goed in elkaar steken. Vooral het nummer “Please mr. Kennedy” werkt onverwachts op de lachspieren.
Verder ziet de cinematografie er goed uit. De vaste cameraman van de Coens, Roger Deakins, was voor deze film niet beschikbaar, deze werkte op dat moment aan Skyfall en het fantastische Prisoners (met Hugh Jackman), maar hij wordt vervangen door Bruno Delbonnel (die het prachtige Amelie heeft geschoten), die een authentiek tijdsbeeld neerzet.
(John Goodman als Roland Turner)Zoals gezegd aan het begin van deze review is het een film die het moet hebben van de misstappen van de hoofdpersoon. Hij wordt constant door het lot getest en ziet het vaak zelf niet meer zitten. Het is een soort lijdensweg die er niet beter op wordt. Dit alles wordt gebracht met de satirische benadering waar de Coens bekend omstaan. De één kan er om lachen, de ander zal de pijn van Llewyn maar al te goed voor kunnen stellen. Als je kan genieten van een tragikomisch verhaal met veel dubbelzinnigheden, dan is dit een aan te raden film. De rode draad in de film is zeker de kater, die deels het lot van Llewyn bepaalt. Het einde is toepasselijk, al niet erg verrassend. Of je deze film bij het lijstje van Coen Klassiekers plaats, hangt puur aan je eigen smaak af. Voor mij mag hij erbij.
4,5/5
(hilarische scene uit de film)
Review: The Wolf of Wall Street
Met Leonardo
DiCaprio, Jonah Hill, Margot Robbie, Kyle Chandler, Matthew McConaughey
Regie: Martin Scorsese
Al sinds het zien van de eerste trailer, afgelopen jaar, keek ik met plezier uit naar deze nieuwe Martin Scorsese film. De trailer, onder de begeleiding van het energieke nummer Black Skinhead van Kanye West is geweldig. In twee minuten werd het ene na het andere hilarische moment getoond. Het drie uur durende resultaat doet die eerste trailer eer aan. Dit is zo’n film die van begin tot eind hilarisch blijft en entertaint.
(Martin Scorsese)
Scorsese kreeg in 2007 een welverdiende oscar voor zijn film The Departed. Hoewel hij in het verleden geweldig films had gemaakt, keek ik ook uit naar zijn toekomstige films. Tussen The Departed en The Wolf of Wall Street maakte hij twee speelfilms; Shutter Island (eveneens met Dicaprio) en Hugo. Hoewel ik Shutter Island nog wel kon waarderen, was het vooral Hugo die mij tegenviel. Die film was een ode aan de cinema aan het begin van de twintigste eeuw. Hoewel de film technisch prachtig in elkaar zat, werd het verhaal op een zware toon vertelt, waardoor het een saaie zit werd. Echter wordt de film wel alom gewaardeerd door critici.
In The Wolf of Wall Street maken we kennis met een jonge Jordan Belfort (DiCaprio) die het eind jaren 80 wil gaan maken op Wall Street. Hij wordt aangenomen en krijgt het meteen zwaar te verduren van zijn supervisor. Een andere supervisor, Mark Hanna (een fantastische McConaughey), stelt hem gerust en neemt de jonge Belfort onder zijn hoede. Tijdens een lunch vertelt Hanna hem een aantal kneepjes van het vak en dat laat een grote indruk achter bij Belfort. Zijn Wall Street avontuur blijkt echter van korte duur als hij al vrij snel ontslagen wordt. Hierna gaat hij van start bij een klein bureau dat waardeloze aandelen verkoopt aan de gemiddelde burger. Hier weet Belfort zich te ontpoppen tot een meesterleugenaar die zijn klanten al zijn kul laat geloven. Binnen een korte tijd verdient hij al meer geld dan hij had kunnen dromen.
In het proces komt hij Donnie Azoff (Hill) tegen, die graag met hem wilt samenwerken. Samen kopen ze een oude garage op en beginnen hun eigen onderneming. Al gauw groeit het bedrijf en verdienen ze bakken met geld, en dat is nog maar het begin.

(Jonah Hill als Donnie Azoff)
Belfort is gelukkig getrouwd met zijn jeugdliefde, echter wanneer de verleidelijke Naomi in beeld komt, loopt zijn huwelijk op de klippen en trouwt daarna met deze begeerlijke jonge dame. Naarmate het geld blijft doorgroeien, weet Belfort niet meer waar hij met al dat geld naar toe moet. Tegen die tijd is hij allang verslaafd aan een cocktail van drugs, hoeren en macht. Ondertussen loopt er ook een zaak bij de FBI om hem aan te klagen.
Zoals gezegd in het begin van deze review, is The Wolf of Wall Street een constant, hilarische film met geweldige acteerprestaties. Naast de hoofdrolspelers, schieten ook regisseur/acteur Rob Reiner (als Belforts vader) en Jon Bernthal (vooral bekend als Shane uit The Walking Dead) er bovenuit. Vooral Bernthal doet in zijn rol denken aan een jonge Rober DeNiro, wat volgens mij geen toeval is.
Verder is een scene met een 15 jaar oud medicijn naar mijn mening de beste manier om de lachspieren te stimuleren. Het effect wordt zolang uitgetrokken, dat je het gevoel hebt dat je naar een aflevering van Family Guy aan het kijken bent.

(Margot Robbie, Leonardo DiCaprio en Martin Scorsese op de set)
Uiteindelijk komt het erop neer dat deze film laat zien dat Martin Scorsese nog steeds in bloedvorm is. Daarnaast is het naar mijn mening, aan de hand van de dialogen, vrouwelijk bloot en humor, een echte mannenfilm. DiCaprio levert met deze film één van zijn beste rollen af en Jonah Hill laat zien dat hij meer kan dan alleen de komiek zijn (hoewel hij de meeste hilariteit met zich meebrengt).
Mijn enige kritiekpunten zijn dat de film gemakkelijk een half uur korter had kunnen, omdat enkele scenes op elkaar lijken en in het proces niets nieuws brengen in het verhaal. Daarnaast doen enkele plotlijnen denken andere films, zoals Wall Street, Goodfellas en Blow. Maar los daarvan zijn dit de drie meest vermakelijke uren die ik in lange tijd in de bioscoop heb meegemaakt.
4,5 uit 5
dinsdag 15 oktober 2013
Work...Out
Ken je dat gevoel? Je weet dat je maandagmorgen vroeg moet opstaan. Natuurlijk ben je op zondag weer te laat naar bed gegaan. Dit is het nadeel van het weekend. Ook al slaap je twee dagen in de week langer uit, je voelt de hele werkweek de naweeën van het weekend. Maandag is daar het ergste voorbeeld van. Hoeveel koffie je ook drinkt -zelfs dubbele espresso’s- helpt gewoon niet meer. Immuun voor koffie, velen zullen het ontkennen, maar als je langer dan drie jaar vast werk hebt, dan ken je het gevoel. De koffie is één ding, maar er is iets veel ergers. Het meest vervelende object dat van je ochtend een levende hel maakt: De Wekker. Ik heb in de loop van die drie jaren op verschillende locaties geslapen, maar altijd is er diezelfde wekkertoon. Zelfs die keer dat ik bij een jongedame –wiens naam mij ontschoten is- had overnacht, ze had een zeer uitgebreid mobieltje en zei; “Ik zet de wekker wel op de telefoon.”
Gelukkig dacht ik, het ergste dat kan gebeuren is dat ik met Lady Gaga wakker wordt. Maar nee, ik had toch weer pech. Ook met super functionele bluetooth, wap, wip en wat nog, was er nog steeds die verveelde zeurtoon. Je zou liegen als je zegt dat die irritante toon je niet bekend voorkomt. Het lijkt wel een patent van de wekkerfabrikant om iedereen wakker te maken met geluiden die zelfs tijdens de holocaust verboden waren. Na hierover nagedacht te hebben, wil ik eigenlijk nooit meer een wekker zetten…
Ik zit in een heerlijke droom. Samantha, de secretaresse, staat bij mijn tafel. Ze stelt mij een aantal vragen, die echter niet van belang zijn. Haar witte blouse heeft een mooie inkijk en haar DD decolleté hopt van links naar rechts. Ergens in de verte begint iets te zoemen, het geluid komt me helaas bekend voor. Toch wel apart dat de ene helft van je lichaam je een prettige gevoel geeft en de andere helft het vervelende gevoel moet opvangen. Na een korte strijd winnen de geprikkelde hersenencellen het toch van het stijgend dekbed.
Mijn ogen voelen plakkerig aan en vaag zie ik de rode display die “7:00” aangeeft. Voor veel mensen is het getal 7 een geluksgetal, voor mij is het de hel. Terwijl ik de wekker wil ontdoen van het vreselijke geluid, merk ik dat ik op mijn arm heb geslapen. Heb je dat al eens geprobeerd? Iets uitzetten terwijl je hele arm slaapt. Erger nog, probeer eens iets te doen met een slapende arm. Het duurt ongeveer twintig seconden dat het bloed weer terugstroomt in mijn arm. Mijn vriendin begint kreunend wakker te worden en vraagt me geïrriteerd, of ik de wekker uit wil zetten. Ik houd mijn mond en tel rustig tot tien en laat dan mijn hand op de wekker vallen. Het geval naast me kreunt opnieuw en draait zich weer om. Ik had beter met haar kunnen gaan samenwonen na haar studie. De helft van de tijd hangt ze maar wat rond in huis. Maar ja, wat doe je eraan? De liefde...
Vreselijk, ik heb een vervelende kater. Ik had echt gedacht dat alcohol goed was om in slaap te komen. Een kater kan ik echt niet gebruiken, vandaag hebben we functioneringsgesprekken op het werk. Konden ze nou echt geen andere dag van de week uitzoeken?
Het licht op de badkamer knippert spastisch. Het is al de derde lamp in twee weken, ergens moet iets mis zijn met de elektriciteit. Het toilet ruikt niet zo fris meer, gele urinevlekken worden zichtbaar terwijl ik de wc-bril optil en in het hoekje liggen twee opgedroogde tampons. Ik vind het best erg en onhygiënisch, maar ik moet zo werken, geen tijd om dit te poetsen.
Een korte, koude douche maakt het geheel nog erger. Snap niet dat er mensen zijn die kunnen zeggen dat dit de ultieme manier is om wakker te worden. Wat is mis met jullie? Mijn haren drogen voor geen meter en die goedkope gel die zij heeft gekocht helpt ook niet. Hopelijk is mijn favoriete witte hemd wel gestreken.
Ik loop naar de logeerkamer, waar de strijkplank blijkbaar al een tijdje niet meer wordt gebruikt. Een uitpuilende mand met ongestreken was kijkt me treurig aan. Als een gek begin ik door de kledingstukken te zwemmen. Dit kan niet waar zijn. Waar is in godsnaam dat shirt? In de hoek van de kamer hoor ik het gemiauw van onze poes Snuf. Oh nee, nee! Ja, oh ja, Snuf ligt met haar volle glorie te snorren op mijn shirt. Ik trek het onder haar vandaan en bekijk het kritisch; dikke rode kattenharen, pisvlekken en wat modder. Zonder uit te barsten, leg ik het shirt weer terug bij Snuf en aai het beest over haar bolletje, zij kan daar nauwelijks iets aan doen. Ik maak de klerenkast open, in de hoop dat er nog ergens een gestreken object te vinden is. Ik moet het doen met een lelijk, fel blauw hemd met een soort golvend motief. In combinatie met de blauwe spijkerbroek die ik heb aangetrokken lijk ik wel een Smurf. Mijn horloge geeft kwart voor acht aan. Geen tijd meer om me nog om te kleden, ik zal het ermee moeten doen.
Ik kus mijn vriendin, voor zover dat mogelijk is. Ze is helemaal onder de deken gekropen. Een paar van haar haren blijven aan mijn mond plakken, nog erger dan die van de poes. Ik vraag haar of ze iets aan het huishouden wilt doen. Een kort “Hmm” komt vanonder de deken vandaan. Op dit punt kan “hmm” van alles betekenen: “Ja lieverd, alles is schoon als je thuis komt” óf “bekijk het maar!” Ik zet mijn geld op de tweede optie.
De krant hangt nog half in de brievenbus. Ik heb de krantenjongen al twee keer aangesproken om deze volledig door te duwen. Want vooral nu in de wintermaanden komt de kou naar binnen en dat is niet prettig als je net onder de douche vandaan komt. Ik neem de krant uit de brievenbus en lees snel door de belangrijkste krantenkoppen; Economie crisis, oorlog her en der, bel 0900-1234 als je geil bent. Eigenlijk is de krant een herhaling van zichzelf, elke dag zetten ze dezelfde onderwerpen erin. Maar ik heb ze toch nodig, voor de kattenbak. Grappig, onze poes schijt op de crisis, hoe banaal.
Dan is er nog de koffie. Er is tijd voor een paar slokken goedkope oploskoffie en twee happen van een boterham met kaas. Typisch Nederlands, je weet nooit wat je op je brood moet doen, dus het wordt automatisch –behalve als je lijd aan lactose-intolerantie- kaas. Gelukkig dat ik er maar tien minuten over doe om naar mijn werk te rijden.
Buiten vriest het een paar graden. Voor mijn deur staat mijn Opel Kadett. Het is elke ochtend weer een gok of hij zal starten. Handchoke naar achteren –het is een oude auto- koppeling in de twee, op hoop van zege de sleutel draaien… Ja! Hij start in één keer! Nu in de vrij zetten, en naar buiten lopen om de ramen schoon te krassen. De vooruit en de linkse ruit zijn voldoende. Terug in de auto wordt ik begroet door The Best Of van Wham, een cassette bandje dat al meer dan een jaar vast zit in de speler. Na honderden luisterbeurten is “Wake me up before you gogo” eigenlijk het beste nummer ooit gemaakt.
Net op het punt dat ik wil wegrijden, komt mijn buurman naar buiten gelopen. Hij zit al twee jaar in de Werkeloosheid Wet en minstens één keer per week weet hij me in de morgen tegen te houden, altijd als ik wil wegrijden. Hij heeft meestal een vraag of hij iets mag lenen. Vandaag is het een pannenset. Geen idee waarom mensen geen pannenset in huis zouden hebben, maar ik vraag er niet na. In plaats daarvan geef ik hem aan dat hij beter kan aanbellen en het aan mijn vriendin kan vragen, die weet dat wel. En zo sla ik twee vliegen in één klap. Ik ben van de buurman af en zij moet nu noodgedwongen opstaan. Liggen blijven kan ze niet, de drang om te weten wie er voor de deur staat is te groot voor haar.
Lachend rij ik mijn dorp uit, richting de snelweg. Het is best mistig buiten en ik moet goed turen of ik wel op de goede helft van de weg zit. In dit weer rij je maximaal 80 kilometer per uur. Voor mij rijdt een Volkswagen Polo, met een bumpersticker die zegt; Ik hou van 25 km/pu in mijn dorp. Dat is prima, maar dat moet je niet doen op de snelweg! “Ga dan in je kut dorp rijden!” Schreeuw ik in de auto. Het kakkermoedertje dat achter het stuur van de paarse wagen zit zal me zeker niet horen, al doet het goed om even te schreeuwen. Ik rij haar voorbij en maak een vriendelijk handgebaar. Haar gezicht is rood uitgeslagen en lijkt erop dat ze hard aan het huilen is. Op de bijrijder stoel is alleen een lege Maxi-Cosi te zien. Ik denk er niet over na en rij verder.
Het bedrijf heeft een overdekte parking. Terwijl ik mijn pasje langs de scanner laat gaan, gebeurt er vrij weinig, de poort blijft dicht. Is de sensor wellicht kapot gevroren? Achter mij staan vier andere auto’s klaar en zo te zien raakt de persoon achter mij ligt geïrriteerd. Gelukkig kun je op een knopje drukken zodat een baliemedewerkster de poort handmatig kan open maken. Een krakerige stem komt uit de intercom; ‘Goedemorgen.’
‘Mijn pasje werkt niet, kun je de poort voor mij openmaken?’
Een lange zucht volgt en de poort gaat open. Terwijl ik de parking inrij, kijk ik nog even in de achteruitspiegel. De chauffeur achter mij heeft het zelfde probleem. Ik heb medelijden voor de persoon die vandaag baliedienst heeft.
Het gebouw huist verschillende bedrijven, dus ik weet niet van wie alle auto’s zijn. Ergens wil ik het wel weten, want in mijn favoriete hoek zijn nog twee plaatsen vrij, die door de parkeerkunsten van twee idioten volledig zijn geblokkeerd. Zwaar geïrriteerd rij ik naar de andere kant van de parking en vind een plek naast een grote jeep. Ik kijk op mijn horloge. Het is al twee minuten over half negen. Geweldig. Luie vriendin, vreselijk shirt, klote krantenjongen, irritante buurman, paarse polo, slechte parking en nu ook nog eens te laat op het werk en dat allemaal juist nu er functioneringsgesprekken zijn. Halleluja.
Eindelijk aangekomen bij mijn afdeling zit Samantha aan de balie, ze speelt met haar nagellak. Ze heeft nooit tijd om dit thuis te doen. Ze zit te dicht met haar neus bij het potje. Die geur kan hersenletsel als gevolg hebben, al is het voor haar te laat. ‘Goedemorgen Samantha.’ Ze kijkt mijn met haar luie oog aan en blijft me aankijken zonder een woord te zeggen. Ik ben het gewend. Niet dat ze lelijk is, het luie oog is gewoon het eerste dat je opvalt als je haar aankijkt, maar aangezien negen van de tien keer mannen eerst in haar decolleté kijken, dan valt het niet zo op. Volgens mij heeft ze al zoveel penissen ertussen gehad dat er ooit iemand vroegtijdig en te hard heeft geëjaculeerd, heb je ook al meteen een oorzaak voor haar luie oog. Terwijl ik doorloop heb ik het gevoel dat het oog me blijft volgen. Het is gewoon eng.
Wij –daarmee bedoel ik de callcenter medewerkers- werken in hokjes, of cubicles zoals ze in Amerika genoemd worden. Aangezien wij in dit land steeds meer van de Amerikaanse mentaliteit overnemen, kun je het ook bij ons cubicles noemen. Op deze werkvloer werken vijftig callcentermedewerkers. Mijn hok heet 11. Buurman van hok 13 heeft mijn computer al aangezet. Hij weet wat het is om te laat te komen. Als je computer niet aanstaat en de baas staat naast je, dan zwaait er wat. Ik bedank hem, en hij laat me weten dat de baas, Rick, al langs is gelopen. Fijn, dan zal ik zo dadelijk wel een email krijgen. Tsjakka! Hij staat al in mijn mailbox. “Richard, als je dit leest, kom dan naar mijn kantoor.”
De toch naar het kantoor van de chef voelt altijd lang. Het geeft je hetzelfde gevoel als je door het ziekenhuis loopt terwijl een dierbaar iemand op sterven ligt.
Rick Generaal staat er met mooie zwarte letters op de deur. Gepaste naam voor een baas, De Generaal. Als iemand dit zegt op de werkvloer, dan mag hij of zij vertrekken. Door het wit getinte glas zie ik zijn schim door de kamer lopen. Het lijkt wel of die schim horens op zijn hoofd heeft. Twee van die dikke horens waar de duivel nog jaloers op zou zijn. In deze wereld staat De Generaal staat boven de duivel.
Ik klop voorzichtig op de deur. Hoor geen bevestigend antwoord, dus ik verwacht dat ik naar binnen kan lopen. De Generaal is inmiddels achter zijn bureau gaan zitten, en tikt ongeïnspireerd op zijn toetsenbord.
‘Je wilde me spreken?’ Hij zegt niets. Alleen een handgebaar wijst erop dat ik plaats moet nemen op de stoel tegenover hem. Ik wil beginnen met mijn verhaal, maar krijg een ander handgebaar dat zegt dat hij nog met iets belangrijks bezig is. Hij is zeker zijn vriendin via de chat aan het uitleggen hoe ze de DVD recorder moet bedienen.
Na vijf minuten door de kamer hebben gestaard, richt hij eindelijk zijn blik tot mij. Hoewel hij een jaar jonger is dan mij, hijgt hij als een nijlpaard, dat met moeite de trap is opgelopen.
‘Je weet dat er vandaag functioneringsgesprekken zijn?’
Ik houd mijn adem in en knik voorzichtig mijn hoofd. Het zweet loopt over mijn rug. Het gaat gebeuren, ik word ontslagen. Nog voordat hij aan zijn nieuwe zin kan beginnen, gaat de deur met een knal open.
In de deuropening staat een bekend gezicht. De vrouw die ik een half uur geleden voorbij was gereden. Ze huilt nog steeds. In haar hand houd ze een envelop vast.
‘Wie is ze?’ Vraagt ze furieus. De Generaal ziet er op dit moment niet blij uit. Hij gebaard mij om de ruimte te verlaten, een bom staat op het punt te ontploffen. Terwijl ik naar buiten loop, zegt hij nog: ‘Functioneringsgesprekken worden uitgesteld.’
Opgelucht loop ik terug naar mijn hok. De dag is weer zoals hij hoort te zijn, voorspelbaar en irritant, maar op één of andere ziekelijke manier accepteer ik dit lot graag. Het vaste stramien, de zekerheid en middelmatigheid. Ze stellen me in staat de persoon te zijn die ik wil zijn, de zeurpiet, want zonder zou ik me kaal en leeg voelen. Ik kijk al uit naar de halfgare maaltijd van mijn vriendin, de slechte maandagavond film en het potje drie minuten seks. Alleen die wekkertoon, daar mogen ze wel wat aan doen.
Abonneren op:
Posts (Atom)






